Samenvatting van Bertrand Russells Authority and the Individual – Lezing 2

January 22, 2011
By

Het artikel dat u hieronder kunt lezen is het tweede deel van een reeks van zes samenvattingen voor het hoofdstuk “Individualism” van een boek dat ik binnenkort publiceer. Het eerste deel/lezing kunt u hier lezen, voorzien van een korte introductie.

Lezing 2: Sociale Cohesie en de Overheid (Social Cohesion and Government)

Russell vangt in deze lezing aan met een verwijzing naar de tijd van de primitieve mens waar het oorspronkelijke mechanisme van sociale cohesie opereerde door middel van individuele psychologie, zonder de behoefte van een zogenaamde overheid. Er was geen behoefte aan magistraten of politieagenten om de orde te bewaren. Wat betreft de autoriteiten in de Oude Steentijd leefde de stam in een soort anarchie waar wel de sociale impulsen de handelingen van het individu voldoende beperkte. In de Nieuwe Steentijd was men al heel anders: ze hadden een overheid, autoriteiten die gehoorzaamheid afdwongen, en samenwerking -afgedwongen op grote schaal. Dit is te bewijzen met hun werken; het primitieve type kleine-stam cohesie zou geen Stonehenge –laat staan de Pyramides- kunnen produceren. De vergroting van het sociale deel moet veelal het resultaat zijn geweest van oorlog waar voordeel zat in een bondgenootschap tussen twee of meer stammen. Als het gevaar dat de alliantie produceerde bleef bestaan werd de alliantie in de loop der tijd een samensmelting. Als een deel te groot werd waar alle lieden elkaar kenden, ontstond de behoefte voor een mechanisme om tot gezamenlijke beslissingen te komen, en dit mechanisme zou onvermijdelijk ontwikkelen –in fases- tot iets dat de moderne mens zou herkennen als een overheid. Zodra er een overheid is, zijn er mensen die meer macht hebben dan anderen, en de macht die zij hebben hangt af van de grootte van de unit die zij besturen. De verzotheid op macht zal daarom de bestuurders aanzetten tot veroveringen. Dit motief is verder versterkt wanneer de overwonnenen in plaats van uitgeroeid tot slaven worden gemaakt. Op deze manier ontstonden al in een vroeg tijdperk gemeenschappen waar de macht van de overheid versterkt door afstraffing voor ongehoorzaamheid ondanks dat primitieve impulsen jegens samenwerking nog steeds bestonden.

Het is een curieus feit dat militaire overheersing bij de overwonnenen heel vaak een oprechte loyaliteit produceerde jegens hun overheersers. Dit was het geval met de meeste Romeinse veroveringen. In de vijfde eeuw, toen Rome niet langer gehoorzaamheid kon afdwingen, bleven de Galliërs geheel loyaal aan het keizerrijk. Alle staten uit de oudheid dankten hun bestaan aan militaire macht, maar de meeste waren in staat om een gevoel van cohesie te genereren in het geheel, ondanks het gewelddadige verzet van vele delen ten tijde van de inlijving. Hetzelfde gebeurde weer met de groei van moderne staten tijdens de middeleeuwen. Engeland, Frankrijk en Spanje, allen verwierven eenheid als resultaat van militaire overwinning door een heerser van een of ander deel dat leidde tot een enkele natie.

Moderne methodes hebben niet alleen de psychologie gefaciliteerd van cohesie in grote groepen, het heeft ook grote groepen onvermijdelijk gemaakt vanuit zowel economische als militaire standpunt. Moderne ontwikkelingen vergroten de controle van de bestuurders van grote organisaties over de levens van individuen, en maken tegelijkertijd enkele grote organisaties veel productiever dan een aantal kleinere. Er is geen zichtbare grens aan de voordelen van grootte, zowel in economische en politieke organisaties.

Overheidsmacht over de levens van de gemeenschapsleden was verschillend door de geschiedenis heen, niet alleen in de grootte van het gebied maar ook in de intensiteit van de inmenging met het individuele leven. In rijken zoals Egypte, Babylon en Nineveh hadden de hoogste kasten eerst een behoorlijk mate van persoonlijk initiatief, maar de grote slavengemeenschap had er geen. De Grieken perfectioneerden een nieuw type van beschaving dat was opgezet door de Feniciërs: een Stadsstaat gebaseerd op handel en zeemacht. In de Stadsstad was revolutie erg makkelijk. Ontevredenen moesten maar een paar kilometers reizen om buiten het gebied te komen van de overheid tegen wie zij wilden rebelleren, en er was altijd wel een vijandige Stadsstaat gewillig hen te helpen. Door de Griekse grote tijd heen was er een mate van anarchie die een modern mens intolerant zou lijken. Maar de burgers van een Griekse stad –zelfs de rebellen- hadden een psychologie behouden van primitieve loyaliteit; zij hielden van hun eigen stad met een toewijding die onwijs maar bijna altijd gepassioneerd was. Russell stelt hier ook dat de grootheid van de Grieken in individuele prestaties diep verbonden met hun politieke incompetentie: de kracht van individuele passie was de bron voor zowel individuele prestatie en voor het falen van veiligstellen van Griekse eenheid. Zodoende vielen de Grieken onder heerschappij, eerst van Macedonië en daarna van Rome.

Tijdens haar uitbreiding liet het Romeinse rijk in haar provinciën een aanmerkelijke mate van individueel en lokale autonomie toe, maar nadat de Augustus overheid geleidelijk een steeds grotere mate van controle verkreeg en aan het eind veelal door de strengheid van belastingen brak het gehele systeem af in het grote deel van wat de Romeinse keizerrijk was. In wat ervan overbleef kwam ook geen vermindering van dwang. Het was bezwaar tegen deze minutieuze dwang, meer dan andere redenen, die de herovering van Italië en Afrika door Justinus zo kortstondig maakten. Degenen die deze legioenen eerst verwelkomden als verlossers van de Gothen en Vandalen bedachten zich toen een leger van belastingheffers na de legioenen volgden. De pogingen van Rome om de beschaafde wereld te verenigen mislukten veelal omdat het faalde enige mate van instinctieve geluk te brengen, zelfs aan vermogende burgers. In haar laatste eeuwen was er universele pessimisme en gebrek aan animo; men vond dat het leven op aarde weinig te bieden had. En dit hielp het Christendom om de gedachte van de mens te centreren op de te komen wereld.

Met de ondergang van Rome onderging het Westen een complete transformatie. Het leven was weliswaar hard en woelig, maar het had niet meer de lusteloosheid en hopeloosheid zoals het was in de laatste dagen van Rome. Door de vroege middeleeuwen (Dark Ages) en middeleeuwen vierde wetteloosheid hoogtij, met het resultaat dat alle weldenkende mensen het gezag (law) aanbaden. Geleidelijk werd een mate van orde hersteld waardoor een reeks grootheden een nieuwe beschaving konden opbouwen.

Vanaf de vijftiende eeuw tot heden is de macht ten opzichte van het individu continue vergroot, eerst voornamelijk als resultaat van de uitvinding van buskruit. Zoals in de vroege dagen der anarchie de meest machtige mensen het gezag aanbaden was er een groeiende tendens in de periode van vergrotende staatsmacht om vrijheid te aanbidden. In de achtiende en negentiende eeuw werd de mate van Staatsmacht succesvol vergroot inhoeverre het nodig was om de orde te bewaren en desondanks een grote mate van vrijheid te behouden voor de burgers die niet tot de laagste sociale graad behoorden. Echter, de impuls naar vrijheid blijkt nu het meest van haar kracht te hebben verloren; het is vervangen door de liefde voor gelijkheid, hetgeen veelal werd gestimuleerd door de opmars naar rijkdom en macht van nieuwe industriële magnaten zonder een tradionele claim van superioriteit. En de noodzakelijkheden van totale oorlog hebben bijna iedereen overtuigd dat een strakker sociaal systeem dan dat van onze voorouders noodzakelijk is. Als resultaat van louter haar omvang wordt de overheid in grotere mate verwijderd van de mensen en heeft het de neiging –zelfs in een democratie- een onafhankelijk leven te hebben.

De overheid heeft vanaf de vroegste tijd dat het bestond twee functies gehad, een negatieve en een positieve. De negatieve functie was er om privé geweld te voorkomen, leven en bezit te beschermen, om strafrecht te verordenen en het afdwingen daarvan veilig te stellen. Maar daarnaast heeft het een positief doel gehad, namelijk om de realisatie te faciliteren van verlangens die de grote meerderheid van de burgers normaal achtten. De meeste tijd waren de positieve functies van de overheid beperkt tot oorlog: als een vijand veroverd en zijn territorium verworven kon worden profiteerde iedereen van de zegevierende in enige mate. Maar nu zijn de positieve functies van de overheid enorm vergroot. Ten eerste is er educatie, bestaande uit niet alleen maar de verkrijging van scholastische kundigheden maar ook het bijbrengen van bepaalde loyaliteiten en bepaalde overtuigingen. Deze zijn die welke de Staat wenselijk acht en in mindere mate -in enkele gevallen- die worden geëist door een religieuze instantie. Tevens zijn er grote industriële bedrijven. Zelfs in de Verenigde Staten, die de economische activiteiten van de Staat tot het uiterst mogelijke probeert te beperken, is overheidsmacht over zulke bedrijven snel toenemende. In zoverre het industriële bedrijven betreft is er weinig verschil –vanuit het psychologische standpunt gezien- tussen welke worden uitgevoerd door de Staat en welke door de grote ondernemingen.

In conclusie van veranderingen met betrekking tot de sociale cohesie die zich hebben voorgedaan in historische tijden kunnen we een tweetal bewegingen opmerken. Aan de ene kant is er een periodieke beweging van een losse en primitieve type organisatie naar een geleidelijk meer ordelijke overheid, kiezende voor een groter terrein en reguleren van het grotendeel van het leven van individuen. Op een bepaald punt in de ontwikkeling, wanneer er recentelijk een grote toename van rijkdom en veiligheid was maar de animo en bedrijvigheid van wildere tijden nog niet vervallen waren, is er een neiging voor grote prestaties in de wijze om beschaafdheid te bevorderen. Maar wanneer de nieuwe beschaving gestereotypeerd raakt, wanneer de overheid de tijd heeft gehad om haar macht te consolideren, wanneer gebruiken, tradities en wet voldoende minutieuze regels heeft vastgesteld om de bedrijvigheid te smoren, geraakt de betreffende maatschappij in een stilstaande fase. Men prijst de daden van hun voorouders maar kan ze niet langer evenaren.

Behalve de periodieke beweging is er een ander. Op de hoogtepunt van elke cyclus is het gebied dat bestuurd word door een Staat groter dan in de voorgaande tijd, en de mate van macht uitgevoerd door de autoriteit over de individu is meer intens dan in enig voorgaande hoogtepunt. Het Romeinse Rijk was groter dan de Babylonische en Egyptische rijken, en de huidige rijken zijn groter dan die van Rome. Omdat de aardoppervlakte beperkt is, zal deze tendens –indien onbeteugeld- eindigen in de creatie van een enkele wereldstaat.

Russell stelt hierna dat hij niet denkt dat iets zeker of onontkombaar is met zulke regels van historische ontwikkelingen. Nieuwe kennis kan de loop der gebeurtenissen compleet anders maken dan wat het anders zou zijn geweest. Dit was bijvoorbeeld het geval een resultaat van de ontdekking van Amerika. Nieuwe instituten kunnen ook gevolgen hebben die niet kon worden voorzien. Russel kan zich niet voorstellen dat een Romein in de tijd van Julius Caesar iets zoals de Katholieke Kerk zou kunnen hebben voorspeld. En niemand in de negentiende eeuw, zelfs Marx niet, voorzag de Sovjet Unie. Om zulke redenen zouden alle profetieën met betrekking tot de toekomst van de mensheid worden behandeld als hypotheses die overweging waardig zijn.

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...
Share

Tags: , ,

Leave a Reply

Time in the Netherlands

Promote Politeia Libertas

Share

Categories